Het verhaal van een patiënt

In november 2024 werd ik geopereerd aan mijn prostaat. Hieronder kun je lezen hoe het zover kwam, wat er gebeurde en hoe het nu met me gaat. (Best goed, hoor !)

zaterdag 16 augustus 2025

Terug in het ziekenhuis (13 tot 15 december)


Bij het ziekenhuis zetten mijn broer me af bij de ingang van de Spoedeisende Hulp, terwijl hij zelf de auto ging parkeren. Ik waggelde naar de balie, waar gelukkig een pilaar stond waar ik me aan vast kon houden. De vriendelijke dame aan de andere kant van het glas schreef me in en voorzag me van een polsbandje. Daarna moest ik even wachten, in de wachtkamer, waar verschillende andere noodgevallen zaten.

Een jong meisje zat er met haar hand tegen haar rechteroog. Moeder ernaast. Een jongeman was gevallen met zijn bromfiets en had zijn voet bezeerd, bleek uit het gesprekje dat hij voerde met een andere vrouw, waarvan me niet duidelijk werd waarvoor zij gekomen was. Ze leek me te opgewekt voor een echt noodgeval.

Ik probeerde ondertussen een manier te vinden waarop ik enigszins comfortabel kon zitten. Dat viel niet mee en ik was blij toen er een verpleegkundige kwam om me te halen. Dit was weer een vlotte, blonde, jonge vrouw, niet piepjong meer, maar ik had makkelijk haar vader kunnen zijn. Ze liep zo snel voor me uit, of ik ging zo langzaam, dat ik bijna bekneld raakte tussen de deur naar de afdeling, die zich automatisch achter haar sloot. We gingen een behandelkamer in.

Ze stelde zich voor, ik ben haar naam vergeten, maar laat ik haar Bianca noemen. Namen onthouden is niet mijn sterkste kant en mijn concentratie was, op dat moment, ook niet optimaal. Ik mocht op een bed gaan liggen. Ze legde uit dat ze opnieuw een spoelkatheter in zou brengen. Of ik mijn broek uit kon trekken. Mijn jas had ik al over een stoel gehangen. Daarna gaf ze me een washandje, om mijn inmiddels nogal bloederige geslachtsdeel te wassen.

Het inbrengen van de katheter was weer geen pretje, maar gelukkig snel voorbij. Bianca zei dat ik het heel goed deed. Maar ik had niet veel bij te dragen. Ik lag te rillen van vermoeidheid en stress. Ze dekte me zorgzaam toe met een dekentje, terwijl de katheterzak zich vulde met een flinke hoeveelheid bloederige urine. 'Dat had u niet zelf op kunnen lossen,' zei ze, 'goed dat u gekomen bent.'

Ik probeerde de ongemakkelijke spanning te verdrijven met een luchtig gesprek. Het begon over vrijdag de 13e, die voor mij een echte ongeluksdag bleek te zijn. We eindigden over het fenomeen AI en wat dat voor gevolgen heeft voor artiesten.

Mijn broer verscheen, vlak nadat de katheter er weer in zat. Ik zou in ieder geval een nacht moeten blijven, dus hij nam afscheid en zou nog even bij mijn vrouw langs gaan. Bianca had ongetwijfeld nog andere spoedgevallen om naar om te kijken, dus ze liet me alleen met de opdracht om na een uur op de bel te drukken, dan zou ze komen kijken hoe het met me ging. Dat herhaalde zich een paar keer en tussendoor werd ik ook bezocht door een arts. Een jonge vrouw, dit keer, die me vertelde dat ik gewoon pech had.

Na zo'n operatie zijn er natuurlijk wonden, ook aan de binnenkant van je lijf. Daar vormen zich stolsels, korstjes zouden het zijn, als ze aan de buitenkant op je huid zaten. Na verloop van tijd laten die los, waarna het opnieuw een beetje kan gaan bloeden. Als de korstjes te groot zijn kunnen ze de boel ook verstoppen. Dat was waarschijnlijk bij mij gebeurd. Nu zou de blaas schoongespoeld worden en daarna zou het snel weer goed komen.

Het wachten was op het moment waarop ik naar de verpleegafdeling gebracht kon worden. Ik had gelukkig mijn smartphone meegenomen, zodat ik de tijd kon doden met het lezen in een e-boek en het sturen van berichtjes naar mijn vrouw.

Tegen de avond reed Bianca me, met bed en al, naar een afdeling waarvan ik de naam vergeten ben. Het was moeizaam manoeuvreren, want niet alleen het bed, met mij erin, moest mee, maar ook de paal met de zak spoelvloeistof die aan mijn lijf verbonden was. Ik hielp zo goed mogelijk mee, door eerst de paal, met de katheter, vast te houden en daarna, met mijn voet, de deur open te duwen. Het was wel duidelijk waarom er doorgaans twee verpleegkundigen mee gaan, als er een patiënt met bed en al verplaatst moet worden. Maar Bianca kon erom lachen en ik vond het best.

We gingen naar een tussenstation, waarvan ik de naam vergeten ben. Een ruime zaal, met zeker tien bedden. Ze waren allemaal leeg, dus ik mocht er één kiezen. Ik nam een willekeurig bed, tegenover de desk van de verpleging en met uitzicht op de gang naar de Eerste Hulp. De verpleegkundigen overlegden met de verschillende afdelingen, waar de nieuw binnengebrachte patiënten geplaatst zouden kunnen worden. Er hing al wat kerstversiering boven de desk, of misschien was er iemand jarig geweest.

Er kwam een verpleegkundige bij mij langs. Ze controleerde mijn katheter, de bloeddruk, temperatuur en saturatie en bracht een infuusnaald in, in mijn linker arm. Dat was voor eventuele noodgevallen. Ze vroeg of ik al iets gegeten had. Het was inmiddels half zeven, de maaltijden worden in het ziekenhuis vroeg geserveerd, dus het diner had ik gemist.

Ik denk dat ik van Bianca, op de Eerste Hulp, wel iets te drinken zal hebben gekregen, maar verder had ik niet veel gegeten die dag en ook niet gedoucht, dus heel fris en energiek voelde ik me niet.

De verpleegkundige zei dat ze in ieder geval wel een paar boterhammen voor me kon regelen. Ze vroeg wat voor beleg ik wilde en ik vroeg om kaas. Even later kwam ze terug met een kop thee, twee boterhammen met kaas en een bakje druiven. De beste avondmaaltijd die ik, tot dan toe, in het ziekenhuis had gekregen.  

 

Weer naar de verpleegafdeling

 

Na enige tijd werd ik opgehaald en met bed en al naar de verpleegafdeling gereden. Dezelfde afdeling waar ik de eerste keer had gelegen, maar aan de andere kant van de gang. Mijn kamer was in bijna alles het spiegelbeeld van de kamer die ik eerder had. Alleen de schuifdeur naar de douche/wc zat verkeerd om. Ik verwachtte dat de deurgreep aan de kant van de gang zou zitten, maar hij zat bij het raam.

Verder was alles, wat in de eerste ronde links zat, nu rechts en andersom. Ik had deze keer helemaal niets bij me, behalve de kleren die ik aan had en mijn telefoon. Van de verpleging kreeg ik direct een paar groene antislipsokken. Verstandig want de vloer was glad en niemand zit te wachten op een glijpartij met akelige gevolgen. Niet alleen riskant, vanwege mijn broze botten, maar ook door de katheter.

Ik vertelde de verpleegkundige dat ik er die dag, door alle toestanden, niet toe gekomen was om me te douchen en dat ik dus al twee dagen in dezelfde, inmiddels met bloed besmeurde, onderbroek rondliep. Ze bezorgde me een schone broek, gemaakt van gaas. Doorzichtig en rekbaar, maar toch een verbetering.

Ze bracht me ook een tandenborstel, keurig verpakt in plastic, met de tandpasta er al op. En een tube doucheschuim/shampo, geschikt voor alle oppervlakken van het menselijk lichaam. Die tube zou de aanleiding zijn voor de enige echte noodsituatie waar ik in terecht kwam. Toen ik zover was om me wat op te frissen en al grotendeels ontkleed in de doucheruimte stond, bleek dat ik de tube niet open kreeg. Het plastic rond de dop was zo stug dat ik er mijn nagels op dreigde te breken. Ik drukte dus op de noodknop en een kordate verpleegkundige kwam me redden.

Over mijn tweede verblijf schreef ik een verhaal voor op ons Stripblog:


De verlegen holbewoner

Mensen zijn holbewoners. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid zijn gevonden in grotten. Of dit echt zo is, zou ik nog eens op moeten zoeken, maar de beschilderde grotten van Lascaux en Altamira zijn wereldberoemd en heel oud.

In ons land zijn geen bergen en alleen in het heuvelland van Limburg en de Achterhoek zouden misschien een paar holen geschikt gemaakt kunnen worden voor menselijke bewoning. Lang niet genoeg voor de hele bevolking natuurlijk. Maar dat geeft niet, we hebben inmiddels geleerd om onze eigen grotten te bouwen. Huizen noemen we die. Daar maken we het gezellig met onze eigen spulletjes en sluiten we 's avonds de rest van de wereld buiten, door de gordijnen te sluiten en met een dekentje op de bank te kruipen.

Ik moest daaraan denken toen ik in het ziekenhuis lag. Elke avond kwam er een verpleegkundige langs om de gordijnen dicht te doen en om te vragen of de deur naar de gang ook dicht moest. Ik had dat liever niet. Voor een grotbewoner hou ik er, misschien ongewoon, veel van om een beetje naar buiten te kunnen kijken.

Van mij mocht het gordijn best wat open blijven en de deur ook. Met alles potdicht voel ik me opgesloten. Ik zie graag de lichtjes van straatlantaarns en de verlichte vensters van de huizen in de buurt. Als er rumoer is op de gang, dan vind ik het wel fijn om te kunnen zien wat er aan de hand is.

Ik stel me voor dat ik, als ik in de steentijd had geleefd en in een land met bewoonbare grotten, ik een plekje dicht bij de ingang had gezocht. Zodat ik de sterren kon zien en de dieren kon horen, als die 's nachts door de omgeving rondscharrelden.

Zo'n voorkeur voor openheid en uitzicht heeft voordelen en nadelen. Stel dat er een overstroming aankwam, dan zou ik die als eerste merken, vlakbij de ingang van de grot. Ik zou de andere bewoners, wat verder naar binnen, kunnen waarschuwen en gauw een hoger gelegen plekje kunnen zoeken.

Zou er een holenbeer of een sabeltandtijger aankomen, dan zou ik die als eerste zien, maar zij mij ook. Ik zou het gevaar lopen om opgegeten te worden, maar mijn vrienden en familie zouden, ook nu weer, een goed heenkomen kunnen zoeken, of mij kunnen redden. Als ze me de moeite van het redden waard vonden.

In dit geval was ik als eerste op de hoogte toen het met een oudere heer, in de aangrenzende kamer, niet goed ging. Ik kon precies volgen hoe benauwd hij het had en hoe de verpleging haar best deed om daar verbetering in aan te brengen. Ik hoorde dat er een arts bij geroepen werd en ook hoe de patiënt, al rochelend en kuchend, vertelde dat hij al eerder last van zijn luchtwegen had gehad. Ook dat hij lange tijd in Frankrijk had gewoond, trouwens, maar voor zover ik kon opmaken niet in een grot.

Dat dit alles zich afspeelde om 3 uur 's nachts was voor mij niet echt voordelig, want ik werd erdoor uit mijn slaap gehouden. Ik schoot er sowieso weinig mee op. Ook als er iets gebeurd was dat mij direct aanging had ik niet veel kunnen doen, aangezien ik niet erg mobiel was, met mijn spoelkatheter, verbonden aan een standaard met een infuuszak van 3 liter.

Kortom, mijn voorkeur voor open deuren had niet veel nut. Het open gordijn trouwens ook niet toen ik de volgende ochtend, bevrijd van mijn katheter, onder de douche uitkwam en in mijn nakie langs het raam moest om bij mijn schone kleren te komen. Niet dat ik daar heel erg mee zat. Het ziekenhuis staat niet aan een drukke weg en ik had al aanstootgevender momenten meegemaakt in de voorafgaande dagen.

Maar we lopen vooruit op de gebeurtenissen. Dat met die open gordijnen en de douche kwam omdat de verpleging elke ochtend langskwam, om de gordijnen open te doen. Prima, alleen had ik ze net een beetje dichtgedaan, voor wat privacy na het douchen. Ach, het zijn kleinigheden. Verder verliep het allemaal best goed.



 

Spoelen maar

Het was inmiddels zaterdag en de routine, van het weekeinde, bleek een beetje te verschillen van die van de rest van de week. Geen stagiaires, bijvoorbeeld. De dagshift werd beide dagen verzorgd door twee struise dames, Simone en Jeanette. De laatste had wat bruuske manieren, maar bleek uiteindelijk best vriendelijk en behulpzaam.

Ik maakte het ze ook niet moeilijk. Ze kwamen op gezette tijden kijken hoe het met me ging. Goed. Ze namen mijn bloeddruk, temperatuur en saturatie op. Goed. Ze kwamen medicijnen uitdelen, in mijn geval weer de acht paracetamollen per dag. Hm, iets minder goed. Ik vroeg of ze het erg vonden als ik er daar de helft van nam. Dat was goed.

Iets minder goed was het dat Simone op een zeker moment binnenkwam met een bekertje met een antibioticatablet en een hele batterij injectiespuiten. Daar keek ik verbaasd van op. Ik had van de huisarts die antibioticakuur gekregen en dat, met de verpleegkundige van de avonddienst, besproken en besloten om die pillen niet te nemen. Simone maakte nu aanstalten om die reeks injectiespuiten in mijn infuus te ledigen, maar door mijn verbaasde reactie begon ze te twijfelen.

'U heeft toch eerder antibiotica gehad ?', vroeg ze. Ik zei iets over de pillen die ik niet meer nam. Ze keek eens naar mijn polsbandje. Ah, nu werd het duidelijk, ze had zich in de kamer vergist. Een beetje beschaamd nam ze de injectiespuiten bij elkaar en haastte zich de kamer uit.

Later kwam ze zich verontschuldigen. De medicijnen waren voor een patiënt verderop in de gang bestemd. Ach, het blijft mensenwerk en er was uiteindelijk niets gebeurd. Maar het blijkt dat je, ook als patiënt, moet blijven opletten, een vergissing is snel gemaakt.

Wat verder verschilde, van mijn eerste opname, was dat er geen nieuwe patiënten voorbij kwamen rijden, in hun ziekenhuisbed en voortgeduwd door twee verpleegkundigen. Het was meer de bedoeling om zoveel mogelijk patiënten naar huis te laten gaan. Operaties en nieuwe opnames waren er voor het weekeinde niet gepland, noodgevallen uitgezonderd.

Ik was dus zo'n uitzondering en verder bleven er nog wat mannen en vrouwen waarvan het herstel minder snel ging dan verwacht. Een paar daarvan zag ik zo nu en dan voorbijlopen over de gang. Een beetje somber voor zich uit starend, met net zo'n paal op wielen, met een infuuszak, als ik had.

Uit wat ik opving bleek dat er in ieder geval één andere man bij was, die hetzelfde had meegemaakt als ik. Geopereerd, een bloeding, een verstopping en weer opnieuw opgenomen.

Een andere kwam even een praatje maken. Ook hij liep met een spoelinfuus. Hij was eerder in de week geopereerd aan zijn prostaat, maar dat was met meer spoed gebeurd dan bij mij. Bij hem was de boel volledig verstopt geraakt, nog voor hij een arts geconsulteerd had.

Hij vertelde hoe hij eerst geprobeerd had naar de huisartsenpraktijk te lopen. Huisartsen komen alleen nog bij je langs als je echt geen vin meer kunt bewegen. Het lopen, met zijn verstopte blaas, was hem zo zwaar gevallen dat hij, na een paar honderd meter, weer om was gekeerd naar huis. Hij had een tweede poging gedaan, op de fiets. 'Met één bil op het zadel', zei hij. Toen was het hem wel gelukt en daarna was hij met spoed opgenomen en geopereerd.

Nu verkeerde hij in ongeveer dezelfde toestand als ik. Wachtend tot de vloeistof helder genoeg was en hij naar huis zou mogen. We praatten nog wat verder en hij vertelde dat hij heel lang bij Philips gewerkt had. Ik vertelde dat mijn vader en grootvader een poosje bij Philips in Baarn hadden gewerkt, in de onderhoudsdienst.

'Ja, Phonogram,' zei hij. Dat kende hij wel. Daar werden grammofoonplaten opgenomen en geperst. Ik vertelde dat mijn ouders nog afgekeurde platen hadden, proefpersingen waarschijnlijk, in bruine papieren hoezen. Mijn vader heeft er niet lang gewerkt, maar het was een aardig aanknopingspunt en het eerste en enige gesprekje dat ik met een medepatiënt had.

 

Nog een nachtje blijven

Op zaterdagochtend kwam de uroloog langs. Niet de arts die mij geopereerd had maar een collega, een vrolijke man, met krullend grijs haar. Op de TV waren kerstliedjes te horen en hij liep die even later luidop te zingen, op de gang.

Hij vertelde dat ze me nog een nacht zouden houden. Die verstopping was gewoon pech. Het spoelen van mijn blaas leek prima te gaan er was geen reden voor ongerustheid. Voor de zekerheid gingen ze er nog even mee door en als alles zo verder zou gaan kon, de volgende dag, de katheter er weer uit en zou ik naar huis mogen.

Ik vond het een goed plan, maar moest dan wel wat dingen gaan regelen. Ik had niet op deze ontwikkelingen gerekend en het ziekenhuis natuurlijk ook niet. Die ochtend had ik een geïmproviseerd ontbijt gekregen. Bij een reguliere opname geef je per dag op wat je wil eten, nu had ik niets door kunnen geven, dus moest ik het doen met wat er was: Een bruine boterham, zonder boter, een bakje jam, een gekookt ei, een bakje yoghurt en een bakje vanillevla.

Ik heb de yoghurt en de jam door elkaar gegooid en de rest laten staan. Voor de volgende dag bestelde ik heel simpel twee broodjes met kaas en wat fruit. Dat had ik veel eerder moeten doen.

Ik appte met mijn vrouw en broer, of ze er samen voor konden zorgen dat ik wat schone kleren, toiletspullen en de oplader van mijn telefoon kreeg. Dat kon. Mijn broer kwam het rond de middag brengen. Dat zou het enige bezoek zijn dat ik kreeg, maar ja, niemand had erop gerekend dat ik weer in het ziekenhuis zou belanden. Nu zien dat ik het avondeten overleefde en hopen op betere tijden voor de volgende dag.

De avond werd opgevrolijkt door grote zwermen vogels die buiten, voor het raam, langszwierden. Eerst een flinke groep houtduiven, die uiteindelijk neerstreken in de bomen langs de Eem. Daarna een nog grotere groep kauwtjes. Zij draaiden een tijdje rondjes in de schemering en ik probeerde daar foto's van te maken, met mijn smartphone. Dat lukte niet best. Ik kwam op het idee om ze te filmen en dat ging beter. Live entertainment. Heel mooi !

Ook deze keer schreef de verpleging elke shift hun namen op het whiteboard. Bij wijze van grapje tekende ik er een zelfportret bij, in de vorm van een vogel met een baard en een brilletje en zette daar mijn naam onder. Er reageerde niemand op. Pas toen ik opgehaald werd door mijn broer viel het iemand op. De vrolijke man van de maaltijden, dezelfde als bij mijn eerste verblijf, liep mijn kamer in en terwijl wij al naar de lift liepen hoorde ik hem roepen: 'Mooie tekening !'

Maar dat kwam wat later. Eerst moest de katheter er nog uit. Jeanette was verbaasd dat de nachtploeg dat niet had gedaan. Omdat er nog wat bloed meekwam, begreep ik. Wat later kwam Simone de handeling verrichten. Het was minder pijnlijk dan de eerste keer. Maar nog steeds een spannend moment. Als zo'n kathter eenmaal zit heb je er weinig hinder van, maar het inbrengen en eruit halen is niet iets om je op te verheugen.

Daarna kon ik me wel, weer vrij van vreemde aanhangsels, gaan douchen en aankleden. Het plassen moest weer op gang komen, maar deze keer wist ik hoe ik het aan moest pakken. De tweede plas ging zonder problemen. Ik had wel de pech dat Jeanette de echo kwam maken en ze nog geen ervaring had met het, klaarblijkelijk pas nieuwe, apparaat. De duwde de sonde met kracht in mijn onderbuik. Waarschijnlijk vluchtte mijn blaas geschrokken een andere kant op, want ze kon hem niet vinden. Dat vatte ik op als een goed teken, ondanks het onprettige gevoel dat haar aanpak opleverde. Een blaas vol urine had ze vast wel gezien.

Na een tweede, ongemakkelijke, poging haalde ze Simone erbij. Die deed het wat voorzichtiger en vond een bijna lege blaas. Ze overlegden even en besloten dat een derde plasje overbodig zou zijn. Ik mocht naar huis.

(Het is achteraf gek dat je het zo beleeft. Als patiënt voel je je ondergeschikt en overgeleverd aan het oordeel van de verpleging en artsen. Maar in wezen had ik naar huis gekund wanneer ik wilde. Een ziekenhuis is immers geen gevangenis.)

Het was inmiddels vlak na lunchtijd, dus ik at mijn broodje en belde mijn vrouw en mijn broer. Toen we mijn kamer verlieten kwam de verpleging net terug van hun middagmaal. Ik kon Jeanette nog even de hand schudden en ze drukte me, onverwacht vriendelijk, op het hart om vooral direct naar de afdeling te bellen, als er weer iets mis zou gaan. Niet eerst de huisarts, dat levert alleen maar vertraging op.

Deze keer voelde ik me een stuk beter, bij het vertrek. Mijn blaas was nog wel wat gevoelig, wat ik tijdens de autorit merkte, bij hobbels in de weg, maar geen verdere problemen. Geen misselijkheid of krampen. Dit had ik ook weer overleefd.



Je wordt nooit meer de oude

Inmiddels zijn er bijna 9 maanden verstreken na de operatie aan mijn prostaat. Na 3 maanden schreef ik:



Ik voel me
over het algemeen best goed, maar merk ook dat er iets veranderd is in mijn lichaam. Na de operatie aan mijn galblaas, bijna 30 jaar geleden, kwam ik, net uit het ziekenhuis, onze benedenbuurvrouw tegen op de trap. Zij had van mijn operatie gehoord en vertelde dat zij het zelf ook mee had gemaakt. Met een stralende lach zei ze: 'Je wordt nooit meer helemaal de oude, hoor !'

Ik vond dat toen een nogal komische opmerking, maar ze had wel gelijk. Een operatie laat littekens na, in mijn geval 6, aan de buitenkant. Maar van binnen is er ook wat veranderd en dat merk je. Er zijn momenten dat ik nog wat pijn voel, maar dat is telkens maar even. Het is als spierpijn, na een ongebruikelijke activiteit. En vreemd is dat niet, op die 6 plekken is men wel, door huid, spieren en zenuwen heen, mijn buik binnen gegaan. Dat ik daar, af en toe, nog iets van voel is logisch. Het lichaam moet herstellen en dat heeft tijd nodig.

Op internet las ik dat littekens na maanden nog kunnen jeuken of wat pijn kunnen geven. Dat komt vooral doordat zenuwbanen zich maar langzaam herstellen. Het kan ook zijn dat die plekken juist wat gevoelloos zijn en aanvoelen alsof ze slapen. Allemaal heel normaal. Er is pas iets mis als er langdurige hevige pijn is. Dat is bij mij zeker niet zo.

Het belangrijkste is dat ik weer goed kan plassen. Ik was bijna vergeten hoe dat is. Na jaren met langzaam toenemende plasklachten – mictieklachten noemen de medici dat – en een paar maanden met een katheter, daarna de operatie en de totale verstopping als complicatie, is het gewoon wennen aan 'normaal' plassen.

Omdat er van binnen iets weggenomen is voelt het anders, niet zoals ik het me van vroeger herinner. Er zijn momenten dat ik aandrang heb, maar weet dat er weinig urine in mijn blaas zal zitten. Dan weet ik inmiddels dat ik het beter even uit kan stellen. Het fijnst gaat het als de blaas goed vol zit. Overdag is dat zo eens in de 3 uur.

Een grote verandering zijn de nachten. Ik ben nog niet terug naar de situatie uit een ver verleden, waarin ik 8 uur, of wel langer, aan 1 stuk kon slapen. Maar een uur of 5, soms zelfs 6, is geen probleem meer. Dat heb ik lang niet meegemaakt.

Bij het laatste gesprek met de uroloog vertelde hij dat het weefsel, dat bij de operatie weggenomen is, ook onderzocht is op kwaadaardige cellen. Ik had daar helemaal niet bij stilgestaan. Na alle echo's, scans en biopten was ik er van uit gegaan dat alles wel in orde zou zijn. Dat was het ook, verzekerde hij me, er was niets kwalijks gevonden.

Maar, bij de laatste controle van mijn bloed – afgenomen bij mijn tweede opname – was er wel weer een verhoogde PSA-waarde geconstateerd. Dat kon veroorzaakt zijn door de katheter, die ik toen weer in mijn lijf had. Maar mijn prostaat is niet helemaal verwijderd en het deel dat er nog zit moet in de gaten worden gehouden. Hij stelde voor om over vier maanden nog eens de PSA te meten.

Wat dat betreft zijn we weer terug bij af. Hoge PSA-waarde, maar geen oorzaak gevonden. Het kan zijn dat er zich toch nog ergens een klein, kwaadaardig, stukje weefsel verstopt, dat tot nu toe ontsnapt is aan alle onderzoeken. Het kan zijn dat de toestand zich nog moet herstellen en dat de waarden vanzelf terug zullen lopen. Het kan ook zijn dat er geen aanwijsbare oorzaak is voor de hoge waarden. We zullen zien.


Weer een paar maanden later

Ik had bloed laten prikken en met de uroloog afgesproken dat hij me zou bellen als er iets mis was. Hij belde niet, dus na een paar weken keek ik de site van het ziekenhuis of ik de uitslag van het onderzoek kon vinden. Mijn PSA-waarde bleek, bij de laatste controle, 4.7. Op internet had ik gezien dat de normale waarde, voor mijn leeftijd, tussen de 3 en 6 is. Prima, dus.

Ik was benieuwd hoe hoog de waarde was geweest, dus bladerde ik op de ziekenhuis-site verder terug. Daar vond ik een bloedtest van begin november, vorig jaar, vlak voor mijn operatie. Toen was mijn PSA-gehalte 95.0. Na de operatie was het dus gedaald van een torenhoge 95, naar een heel acceptabele 4.7.

Benieuwd naar nog oudere waarden ging ik op zoek naar een uitslag die ik ooit, een aantal jaren geleden, na een eerder bezoek aan de specialist, had gekregen. Het duurde even voor ik hem vond, het bleek alweer 8 jaar geleden, in 2017. Toen was mijn PSA-gehalte 6.1. Het is normaal dat de PSA-waarde in je bloed stijgt bij het ouder worden. Bij mij is hij nu lager dan 8 jaar geleden.

Dat er doorgezocht wordt naar eventuele kwaadaardige zaken is op zich niet vreemd. Prostaatkanker is momenteel de meest voorkomende vorm van kanker bij mannen. In sommige landen is het zelfs de meest voorkomende vorm van kanker in de hele bevolking. Dat komt omdat mensen, en dus ook mannen, steeds ouder worden. Een flink deel van de oudere mannen – als ik het google vind ik zelfs 70% – krijgt op latere leeftijd prostaatklachten.

Volgens de website van het UMC krijgen, in ons land, bijna 12.000 mannen per jaar prostaatkanker. Daarvan overlijden er 3000. Dat zijn geen kleine aantallen. Maar dat zijn alleen de mannen die zich bij de arts melden met klachten. Er zullen er nog veel meer zijn die er mee rondlopen zonder het te weten.

Het UMC schat dat van alle mannen, die op hoge leeftijd overlijden, zo'n 80% prostaatkanker had. Maar het aantal mannen dat dóór prostaatkanker overlijdt, ligt veel lager: rond de 5 procent.

'Dat weten we dankzij onderzoek dat pathologen soms na het overlijden uitvoeren. Zij vinden bij het grootste deel van de oudere mannen prostaatkanker. Die prostaatkanker is dan alleen niet de doodsoorzaak. Een groot deel van de mannen heeft het dus nooit opgemerkt en er dus helemaal geen last van gehad.' www.umcutrecht.nl/nieuws/hebben-alle-80-mannen-prostaatkanker-gehad

Je zou kunnen zeggen: Als ik nu nog geen prostaatkanker heb, dan krijg ik het later waarschijnlijk wel. Al heb ik inmiddels wel veel minder prostaatweefsel, dus je zou denken dat de kans kleiner is geworden. Het is iets waar ik me nu niet teveel zorgen over maak. Maar misschien krijgt dit verhaal toch weer een vervolg. 

 

Ps: Het hardnekkige idee, dat prostaatklachten verband zouden houden met de hoeveelheid seks die een man heeft, is een fabeltje. Waarom iemand prostaatklachten krijgt is niet precies bekend, maar leeftijd en erfelijkheid spelen vast een rol. Seks heeft er niets mee te maken.

Dat is net zoiets als de bewering dat rode wijn goed zou zijn voor hart en bloedvaten. Dat is niet zo, al zouden veel mensen willen dat het wel zo was. En nu we het er toch over hebben, mijn lichaam functioneert normaal als het om seks gaat. Ik ben al 30 jaar prettig getrouwd, zonder seksuele problemen.

Na de operatie is er wel een verschil. De prostaat zorgt voor een belangrijk deel voor het vocht in de zaadlozing. Nu er een groot deel van mijn prostaat verwijderd is valt die functie weg. Ook zorgt de prostaat ervoor dat de zaadlozing de goede kant op gaat, naar buiten. Dat doet hij nu ook niet meer. Dus bij een orgasme komt er geen zaadlozing meer. Die is nu veel kleiner wat omvang betreft en belandt in de blaas. Bij het plassen raak je dat vanzelf weer kwijt, zonder er iets van te merken.

Het is misschien een verrassend bijeffect, maar een probleem is het in de praktijk niet. Alleen als er nog een kinderwens zou zijn, maar ik heb die niet, zou het iets zijn om een arts over te raadplegen.